Studentenleven
Of ik kon bewijzen dat ik kanker had... (ik stuurde de bon van mijn pruik)
Ondanks de diagnose kanker wilde Ilse van Putten niet stoppen met studeren. Maar behalve een gevecht met de ziekte werd dat – ondanks welwillende docenten – ook een strijd met ‘het systeem’. ‘Pas na mijn tweede chemokuur krijg ik antwoord.’
Gastschrijver
donderdag 3 april 2025
Deze illustraties maakte Ilse van Putten om vrienden en familie op de hoogte te houden van haar ziekteverloop

Elke student is moe. Toch? Toen mijn tweede jaar voor de bachelor geschiedenis eindigde en de tentamens voorbij waren, was ik moe. Dat is niks geks, zou je verwachten, na weken intensief studeren en naar deadlines toewerken. Uiteindelijk ging ik toch langs de huisarts. Ik vroeg om ijzerpillen, want een ijzertekort leek me een voor de hand liggende reden voor de vermoeidheid. Maar de huisarts deed meer onderzoek en maakte hartfilmpjes en longfoto’s.

Eerst schaamde ik me een beetje voor de tijd en moeite die er in mijn ‘simpele’ klacht werd gestoken. Inmiddels weet ik hoe dankbaar ik moet zijn voor de keuze die mijn dokter heeft gemaakt.

Ik werd doorverwezen naar het ziekenhuis. Duidelijk was al dat er iets speelde. Wat, of hoe erg, wisten mijn huisarts en ik niet. Bij het inplannen van de afspraak stelde de assistente mij gerust dat ik niet bang hoefde te zijn dat ik langs de afdeling ‘oncologie’ moest, het was toevallig dat mijn internist daar zat. Ik ging daar naïef in mee. Pas toen de dokter mij de hand schudde omdat hij dat beleefd vond voor een ‘eerste afspraak’, kreeg ik in de gaten dat het ernstiger was dan ik had gedacht.

 

Toen hoorde ik dat ik kanker had.

Tussen mijn longen en hart zat een tumor, waarvan ze nog steeds niet kunnen zeggen wat het precies was. De ‘spierpijn’ die ik af en toe dacht te krijgen van te lang achter mijn bureau zitten, bleek afkomstig te zijn van deze tumor die in mijn long duwde. Door de zeldzaamheid was het behandelplan wat experimenteel: na chemotherapie om de tumor hopelijk te laten krimpen, zou deze operatief worden verwijderd.

Ingrijpend veranderd

De diagnose en opstelling van het behandelplan had intussen bijna de hele zomer geduurd. De start van het academisch jaar kwam in beeld. Dat ik het ‘normale leven’ niet zou kunnen oppakken was natuurlijk duidelijk. Ik moest iets gaan regelen voor mijn studie.

Dit was een moment waarop veel studenten waarschijnlijk zouden stoppen; niet alleen door gebrek aan motivatie, maar ook door al het geregel dat zou gaan volgen. Ik heb dat bewust niet gedaan. Integendeel – als alles om je heen zo ingrijpend verandert, ben je juist op zoek naar houvast. Studeren is daarin een geweldige mogelijkheid.

Als ik zou willen studeren, moest dat in aangepaste vorm. Hier werden de overwegingen lastiger. Ik eindigde mijn tweede jaar met een mooie cijferlijst en was voor de zomer gaan kijken naar opties zoals een researchmaster. Er zat iets pijnlijks in het feit dat mijn ziekte ook datgene waarvoor ik zo hard had gewerkt zou gaan afpakken.

 

Ik ging proberen een aantal vakken te volgen, zonder dat aanwezigheid of cijfers zouden tellen, indien de ziekte te veel in de weg zat. Dit plannen was wel lastig, omdat de ziekte en behandeling mijn toekomstvisie limiteerde tot een periode van vaak maximaal drie weken. Je leeft als het ware van afspraak naar afspraak, en de periodieke uitslagen konden alles weer omgooien. Daarom wisselden plannen ook continu.

‘Chronisch ziek’

Over deze nuances wilde ik het graag hebben met iemand van de universiteit. Dat deze steun er was, wist ik. In mijn tweede jaar was ik zelf ‘buddy’, een begeleider voor een eerstejaarsstudent die extra ondersteuning nodig had. Maar toen ik die zomer ging zoeken op de universitaire website, raakte ik verdwaald in links en keuzemenu’s. Om in de heel grote hoeveelheid informatie een weg te vinden moet je kiezen tussen de verschillende functiebeperkingen. ‘Chronisch ziek’ voelde ik mij helemaal niet. Had ik überhaupt een functiebeperking?

Gelukkig had ik nog de e-mail van de decaan die ik als begeleider had gesproken, met wie ik contact zocht. Inmiddels heb ik gezien dat de site, of in ieder geval de toegankelijkheid (nu ook via Brightspace), deels lijkt te zijn verbeterd. Ik hoop dat andere studenten met bijzondere situaties daar baat bij zullen hebben.

‘Na de tweede chemokuur krijg ik een mail dat er ‘naar de aanvraag zou worden gekeken’

Toch zijn er ook andere dingen in dit ‘systeem’, zoals de websites, de formulieren, de inschrijvingen, en alles ertussenin, waar ik tegenaan ben gelopen. Toen ik nog in de diagnosefase zat heb ik met hulp van de decaan een formulier gekregen waarmee ik mijn uitzonderingen moest aanvragen. Aan het einde van de vragenlijst werd om een bijlage gevraagd om te ‘bewijzen’ dat ik, in mijn geval, kanker had. Dat voelde vreemd en confronterend.

Omdat ik niets had om te sturen heb ik mijn verzekeringsbrief voor mijn pruik maar toegevoegd. Welke ‘uitzonderingen’ ik moest aanvragen wist ik overigens niet echt, want mijn situatie was nog onduidelijk en voortdurend veranderend. Ik wilde alleen maar laten weten dat ik ziek was, zodat als er iets gebeurde, ik hierover geen stress zou hoeven hebben. Het ‘keuzemenu’ voelde daarvoor niet heel toepasselijk, of begripvol.

Vrijheid

Terwijl ik op een avond in het ziekenhuis voor een CT-scan zat te wachten, inmiddels twee chemokuren verder, kreeg ik een automatisch gegenereerd mailtje dat er ‘naar de aanvraag zou worden gekeken’. Daar heb ik wel een beetje om gelachen.

Ik was ondertussen allang begonnen met mijn vakken. Terug kunnen komen naar de universiteit, al was het maar voor een vak of twee, gaf al het plezier en de afleiding die ik ervan had gewenst. De keuze was gevallen op het schrijven van één werkstuk, of ik het zou afmaken of niet. Tot mijn opluchting was, net als bij de decaan, de support en het begrip van de docenten en professoren enorm. Ook al had ik formeel nog niets terug gehoord op mijn aanvraag, ik kreeg alle vrijheid om te kunnen afwijken van deadlines of aanwezigheid.

Met deze ondersteuning heb ik uiteindelijk in het eerste semester van het jaar één vak kunnen afsluiten. Daar ben ik enorm dankbaar voor. Door het directe contact met de decaan, docenten en professoren heb ik meteen een mooi plan kunnen opstellen voor het tweede semester. Zij hadden wederom begrip voor mijn wensen, maar ook voor de onzekerheid van de situatie.

Toch bleek er weer extra veel mailcontact nodig om zeker te weten dat dit op inschrijvingsniveau en via het invullen van formulieren ook écht allemaal kon, waardoor ik tot de week voor mijn operatie nog bezig was met plannen. Het administratieve geregel (en soms gestress) is zonde in een tijd waarin je liever met andere dingen bezig bent.

De momenten waarop ik vastliep, hield ik voor mijzelf, want ach, zo dacht ik: je hebt nou eenmaal pech, hoeveel mensen met kanker lopen er nu op de universiteit rond? Gaandeweg is mijn mening echter veranderd. Als mijn verhaal maar één iemand zou helpen, in welk opzicht dan ook, zou het nuttig zijn.

Voor diegene: vind houvast in datgene wat jíj wilt. Je hoeft zeker niet te stoppen, ook als het moeilijk lijkt (en soms ook moeilijk ís) om zaken te regelen. Op de universiteit zijn er zo veel mensen die openstaan om je te ondersteunen, al werkt ‘het systeem’ niet altijd mee om hen te vinden of om hen hun werk te laten doen.

Intussen ben ik geopereerd en is de tumor verwijderd. De kanker is weg. Het herstel heeft ups en downs, dus voor nu doe ik het met wisselende energie ook dit semester nog rustig aan. Er is altijd de angst voor terugkeer van de kanker, daar heb ik wel last van. Hier zal vooral tijd overheen moeten gaan. In de zomer is mijn eerste controlescan.

Sinds de diagnose heb ik gemerkt dat sociaal contact op de universiteit afhankelijk is van fysiek aanwezig zijn, of dat nu in de collegezaal of de kantine is. Door mijn afwezigheid raakte ik al snel vervreemd van sommige medestudenten. Ik kijk ernaar uit om iedereen weer te zien. Dat ik tot nu toe vaak voorbij ben gelopen in de gangen, ligt misschien ook aan mij. Ik zal mij opnieuw moeten introduceren nu ik pruiken draag.