Columns & opinie
Er is geen enkel bewijs voor indoctrinatie of geweld
Als er aan de Leidse universiteit angst heerst onder Joodse studenten en stafleden wordt die veroorzaakt door kritiek op Israël, niet door fysieke incidenten, schrijft Joost Augusteijn.
Gastschrijver
donderdag 27 maart 2025
Bezetting van de hortus door Pro-Palestina-activisten, mei 2024. Foto Taco van der Eb

Het is mooi dat Sense Jan van der Molen in zijn opiniestuk oproept tot een open debat op basis van feiten met respect voor anderen. Het is jammer dat hij zijn respect uit door collega’s zonder bewijs te beschuldigen van indoctrineren en studenten van het verheerlijken van geweld.

Niemand ontkent dat er zelfs in Leiden weleens een student of collega is die tijdens een emotieopwekkende bijeenkomst iemand beledigt die niet meegaat in hun verontwaardiging over het gebrek aan consequenties voor het doden van meer dan 50.000, meestal onschuldige, Gazanen.

Zelfs kan het zijn dat een enkele student in een besloten appgroep na tachtig jaar gewelddadige onderdrukking van Palestijnen verheugd was toen Hamas met geweld terugsloeg, maar anekdotes en het gebruik van voorbeelden van incidenten op andere universiteiten zijn geen bewijs voor een structureel probleem in Leiden.

De angst onder Joodse studenten en stafleden is ook niet ontkend, wel worden de redenen ervoor ter discussie gesteld. De auteurs van het zelf-selectieve onderzoek naar de gevoelens onder Joodse studenten en medewerkers dat Van der Molen aanhaalt, concluderen dat de meeste incidenten die gemeld worden draaien om kritiek op Israël. In totaal 3 van de 165 respondenten uit 16 instellingen had ervaring met een vorm van fysiek geweld en geen enkele daarvan kwam uit Leiden.

Negatieve gevolgen

Buiten het aanhalen van niet relevante voorbeelden, bagatelliseert Van der Molen ook de werkelijke ervaringen van pro-Palestijnse studenten en collega’s die volgens hem slechts negatieve gevolgen ondervinden van hun gedrag tijdens ‘bezetting, intimidatie of vernieling’, die nauwelijks zijn voorgekomen in Leiden. Hij gaat daarmee moedwillig voorbij aan het feit dat pro-Palestijnse studenten en medewerkers talloze malen het recht is ontzegd om bijeenkomsten te houden die binnen de inmiddels verruimde huisregels vielen, dat zij worden geprofileerd bij LU-card-controles als ze naar college gaan en dat collega’s zijn aangesproken op hun politieke standpunt.

Ik ben benieuwd hoe Van der Molen zich zou voelen als getwijfeld wordt aan zijn wetenschappelijke integriteit op basis van wat hij in een opiniestuk schrijft, en of hij dan niet ook de anonimiteit zou zoeken. De angst voor consequenties als je autoriteiten bekritiseert is namelijk van een andere orde dan door een medestudent aangesproken te worden op je politieke opstelling.

Hij heeft ook moeite met het herkennen van een autoriteitsargument. Als docenten structureel hun autoriteit misbruiken om een politiek standpunt op te leggen aan hun studenten zou dat via evaluaties allang naar voren zijn gekomen. Hoewel Arnout van Ree aangeeft dat hij een enthousiast activist is, wat eigenlijk ook bestorven ligt in de maatschappelijke gelofte die elke promovendus aflegt, laat hij ook uitgebreid zien dat dit zijn colleges niet beïnvloedt.

De enige die een autoriteitsargument gebruikt is overigens Van der Molen zelf wanneer hij zonder onderbouwing Cleveringa aanroept en de interpretatie van de slogan ‘From the river to the sea’ aan het politieke gezag van de Tweede Kamer overlaat in plaats van de wetenschap. En ja, als je oproept om de macht naar de mond te praten omdat je bang bent voor de consequenties dan toon je een collaboratiementaliteit. Dat is geen polarisatie, maar een definitiekwestie.

Selectieve blindheid

Het zou mooi zijn als Van der Molen enig begrip toont voor degenen aan deze universiteit die aandacht vragen voor het lot van Palestijnen. Je kunt je blindstaren op incidentele extreme uitingen daarvan, maar de selectieve blindheid van autoriteiten voor het leed dat Palestijnen door Israël wordt aangedaan is wat mensen in actie brengt en soms begrijpelijk emotioneel maakt. In tegenstelling tot het beeld van gepamperde pro-Palestijnse activisten wordt door bestuurders juist stevig tegen hen opgetreden en constant aandacht gevraagd voor gevoelens van Joodse medewerkers en studenten zonder dat daar veel concrete aanleiding toe is.

In plaats van debatteren over al dan niet terechte gevoelens zouden we, zoals Geert Jan Kroes aangeeft in zijn uitstekende opiniestuk, de banden met Israëlische instituties minimaal moeten opschorten totdat we zeker zijn dat Leiden niet medeverantwoordelijk is voor oorlogsmisdaden en andere overtredingen van het internationaal recht. Het zou Van der Molen sieren als hij, samen met leden van de universiteitsraad, het college van bestuur oproept de ethische normen die het college intern probeert op te leggen op Israël toe te passen.

Joost Augusteijn is universitair hoofd­docent aan het Instituut voor Geschiedenis en lid van de universi­teitsraad

Lees hier het oorspronkelijke opiniestuk van Sense Jan van der Molen
Hier de reactie van Joost Augusteijn
En hier de reactie van Arnout van Ree
De reactie van Sense Jan van der Molen op deze twee stukken
En het weerwoord daarop van Geert-Jan Kroes