Columns & opinie
Het zal mij worst wezen of je me elitair of snobistisch vindt
Het leven in de intellectuele bubbel is prima. ‘Pas op de universiteit hoorde ik van mijn huisgenoot dat het “pretentieus” was om naar een live blokfluitconcert van (de legendarische) Lucie Horsch te gaan.’
Mathijs de Jong
donderdag 3 april 2025

Het anti-intellectualisme viert hoogtij. Alles wat riekt naar eloquentie en eruditie lijkt men te willen bestrijden. Mensen die iets beter weten, simpelweg omdat zij van dit onderwerp een levenslange studie hebben gemaakt, zijn ‘snobistisch’. Mensen die moeilijke woorden gebruiken doen ‘ingewikkeld’. Mensen die enkel omgaan met hoger opgeleiden ‘staan niet in contact met de maatschappij en hun medemens’. Deze mensen leven kortom in een ‘bubbel’.

Tegen de anti-intellectualisten wil ik graag het volgende zeggen: het zal mij een worst wezen of je vindt dat ik uit de hoogte, snobistisch of ingewikkeld doe, die ‘bubbel’ heb ik doelbewust zo ontwikkeld.

Terug naar de basisschool. Als kleine opdonder vond ik weinig aansluiting bij mijn leeftijdsgenootjes. Daar waar de jongens uit mijn klas graag voetbalden en achter meisjes aanholden, bleef ik met mooi weer binnen om te tekenen of te lezen. Ik werd – geheel terecht – als ‘nerd’ weggezet.

Op de middelbare school zette dit zorgwekkende patroon zich voort. Tegen mijn leeftijdsgenootjes zei ik het ‘stom’ te vinden, maar stiekem vond ik het heerlijk me te verdiepen in talen die nergens meer werden gesproken. Het idee dat ik wist hoe ik bepaalde werkwoordsvormen moest verbuigen terwijl er niemand op deze aardbol rondliep die een dergelijke vervoeging zou gebruiken om bijvoorbeeld een brood te bestellen, vervulde me met een gevoel van verrukking. Als we ’s zomers met de auto naar Frankrijk reden, zaten er in mijn discman cd’s van Rachmaninov, Chopin en Tsjaikovski.

Ik vond, zoals u wel begrijpen zult, nog steeds weinig aansluiting bij mijn leeftijdsgenoten.

‘Pas tijdens mijn studententijd raakte ik écht in de war’

Hoewel dat patroon zich op de universiteit voortzette, ging dit gepaard met de opkomst van een ander soort ontwikkeling. Pas op de universiteit hoorde ik van mijn huisgenoot dat het ‘pretentieus’ was om naar een live blokfluitconcert van (de legendarische) Lucie Horsch te gaan, terwijl ik dat zélf slechts heel erg kneuterig, ja zelfs een beetje zielig vond. Pas tijdens mijn studententijd hoorde ik van Amice de Vries dat een boek lezen op een vrijdagavond iets was wat ‘sowieso de reden was van mijn meauie woordenschat’, terwijl ik me eigenlijk diep schaamde voor het feit dat ik het begin van het weekend in mijn eentje zou inluiden, zonder liters bier, zonder vette feesten. Stakkerig en eenzaam.

Pas tijdens mijn studententijd raakte ik écht in de war. Want waarom waren mijn solitaire hobby’s, mijn zonderlinge interesses nu ineens ‘elitair’ geworden, terwijl dit mij vroeger slechts de nerderige nerd maakte die ik was en waarschijnlijk altijd zal blijven?

Waarom leefde ik nu ineens in een ‘bubbel’, terwijl ik mijn hele leven lang al hetzelfde type mens het predicaat van ‘vriend’ gegeven had? Er was toch niets veranderd? Ik was toch nooit veranderd?

Dus, anti-intellectualisten, stop met haten. Oh, en als je toch wilt haten, doe dat dan old-school en noem me gewoon een nerd.

Mathijs de Jong is student rechten