
‘Kinderen hebben ontzettend veel zorg nodig’, zegt Peter Bos. En die zorglast ligt nu volledig op de schouders van de ouders. Dat is niet eerlijk, aldus de hoogleraar opvoeding en ontwikkeling die maandag zijn oratie uitsprak. ‘Het is veel te moeilijk om in je eentje te zorgen voor een kind, dat kan je niet alleen bij de ouders neerleggen. Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. En dat begint bij ouders, maar als die vastlopen en het soms moeilijk of te zwaar hebben, mogen ze om hulp vragen.’
Er bestaat een te rooskleurig beeld van ouderschap, vindt Bos. ‘We moeten niet allemaal op Instagram de hele dag doen alsof ouderschap één grote, roze wolk is. Want dat is het niet altijd. Vroeger was het heel gewoon om met zijn allen voor een kind te zorgen. We mogen elkaar weer meer ondersteunen. Zorgzaamheid is iets wat we allemaal in ons hebben. Daar heb je geen kinderen voor nodig.’
‘Ik was altijd geïnteresseerd naar de andere kant van ons sociale gedrag’, zegt Bos, die als neurowetenschapper onderzocht wat er in ons lichaam gebeurt waardoor we agressief of angstig worden. ‘Als hormonen kunnen zorgen voor agressie of dominant gedrag, wat doen hormonen dan bij empathie en zorgzaamheid?’
Reactief
Hij begon met onderzoek naar de effecten van het hormoon testosteron op sociaal gedrag. ‘We zijn dat gaan toedienen bij vrouwen die moesten luisteren naar huilende baby’s. Testosteron maakt je agressief en dominant, dus de verwachting was dat de vrouwen minder sterk zouden reageren op een huilende baby. Maar we vonden juist het omgekeerde effect: ze waren gevoeliger voor de signalen van baby’s. Testosteron maakt je emotioneel reactiever.’
Daarin waren wel wat verschillen tussen vaders en moeders te zien. ‘Als mannen hoger testosteron hebben, zijn ze minder sensitief en stemmen ze minder af met hun kinderen. Dat zagen we niet bij moeders.’ Daarbij geldt wel een kanttekening, waarschuwt hij. ‘Het grootste deel van de moeders uit dit onderzoek gaf nog borstvoeding en dan maakt de vrouw ook heel veel andere hormonen aan. Dat kan dat effect misschien verdoezeld hebben.’
Alleen testosteron is niet voldoende voor empatie. ‘Moeders reageren iets empathischer, want ze worden meer getriggerd om in actie te komen bij nood. Maar om heel zacht, lief en zorgzaam te zijn, heb je niet veel aan reactiever zijn. Daarbij heb je ook andere hormonen nodig.’
Zo is het “knuffelhormoon” oxytocine erg belangrijk. ‘Dat zorgt ervoor dat je kalm wordt en signalen van anderen beter leert begrijpen, dat je je kunt inleven in een ander en dat je meer verbinding kunt aangaan met iemand.’
Stress
Ook stress is belangrijk bij het zorgen voor een kind, stelt Bos. ‘Een beetje stress is handig, want dat zorgt ervoor dat je in actie komt en als ouder moet je nu eenmaal soms in actie komen.’ ‘Langdurige stress, door bijvoorbeeld geldzorgen of een onveilige thuissituatie heeft daarentegen heel negatieve gevolgen voor zorggedrag. Je bent daardoor als ouder niet meer in staat om al die dingen te doen die je nodig hebt om er voor een kind te kunnen zijn. Alle aspecten van empathie worden dan onderdrukt. Je ervaart te veel stress om je in te kunnen leven in het kind en bent alleen nog maar bezig met zelf overleven, en dus je eigen behoeften.’
Of mannen en vrouwen verschillend met stress omgaan, wil Bos nog onderzoeken. ‘Dat is alleen verschrikkelijk moeilijk. Want als je iets niet wil, is het ouders die al vreselijk veel stress hebben, ook nog eens lastigvallen met je onderzoek. We zijn nog aan het uitzoeken hoe we dat kunnen doen zonder die doelgroep extra te belasten.’
Volgens hem zou de universiteit ouders kunnen helpen. ‘We hebben de opleiding pedagogische wetenschappen. Kunnen we onze studenten niet veel meer inzetten om de ouders te helpen en dat voor een deel te combineren met onderzoek? We zijn allemaal een beetje van die ivoren-toren-figuren. We gaan lekker van een afstandje mensen bestuderen, maar ik denk dat de tijd is gekomen om stil te staan hoe we daadwerkelijk iets kunnen bijdragen aan de samenleving, behalve dat er over drie jaar een artikel verschijnt, dat die ouders niet kunnen lezen omdat je ervoor moet betalen. Ik denk dat we onszelf ook meer moeten afvragen: hoe kunnen we werken aan het vergroten van onze kennis en tegelijkertijd direct iets bijdragen?’