Mare Nummer 19     04 februari 2010

19
‘Het was een hel’
Hoe twee Leidse studenten in een Israëlische cel belandden

In 1974 werden Margot Heijnsbroek en Paula Witkam opgepakt bij de Westelijke Jordaanoever. De Leidse studenten hadden een brief bij zich hoe je bommen moest maken. Heinsbroek (1947) schreef er het boek Reisdoel Palestina over. Vanavond is er tv-documentaire te zien. ‘We wisten niet wat ons overkwam.’

DOOR FRANK PROVOOST ‘Ik studeerde sociologie in Leiden, dat was toen heel erg in. Met een vriendin, Paula Witkam die klassieke talen deed, wilde ik naar Libanon, Syrië en Jordanië en de Westelijke Jordaanoever. We wilden weten hoe het Midden-Oosten eruit zag. Voor een pleziervakantie met toeristische attracties, maar ook om te kijken hoe het was gesteld met de Palestijnen. Let wel: in die tijd stond 99 procent van Nederland achter Israël. Wie bekend stond als “pro-Palestijns” was eigenlijk al behoorlijk verdacht. Ik was actief in de Leidse Palestina Werkgroep. We werden soms uitgescholden als we collecteerden voor humanitaire hulp of de Rode Halve Maan. “Jullie halen geld op voor terroristen”, hoorden we dan.

‘Op 20 augustus 1974 vertrokken we. Een vriend van ons, Wim, was getrouwd met een Palestijnse en onderweg konden we bij zijn schoonfamilie blijven slapen. In Damascus logeerden we bij zijn zwager, George. De laatste avond vroeg hij of we iets mee wilden nemen om af te leveren. Dat ging nogal ongewoon. Paula had een in haar multomap een limerick gemaakt, met een nogal ondeugende tekst. Tussen die regels schreef George met witte inkt een boodschap in het Arabisch. “Wat staat er?”, vroegen we, maar dat wilde hij niet zeggen. Het was beter dat we dat niet wisten. Maar, zo stelde hij ons gerust, het was niet gevaarlijk. We hadden beter kunnen aandringen. Want het was niet zo onschuldig als hij ons voorspiegelde.

‘In het begin zag je niets van die witte inkt. Maar wij gingen eerst nog naar Jordanië en door de hitte werd het na een paar dagen al een beetje leesbaar. In Amman sliepen we bij een schoonzus van Wim. We vertelden over de brief die haar broer had geschreven en lieten die lezen. “Zou je het wel doen?” vroeg ze, zonder te vertellen wat erin stond. Maar eigenlijk maakten we ons er niet vreselijk veel zorgen over. We wisten weliswaar dat er geen postverkeer mogelijk was met de Palestijnen op de Westbank en dat Israëlische militairen alle Arabisch teksten standaard in beslag namen. Maar we hadden ook weer van Nederlanders gehoord dat ze makkelijk langs de controleposten kwamen.

‘Op vrijdag 13 september vertrokken we met een bus vol Palestijnen: oude mensen, vrouwen en kinderen. Bij de Allenbybrug, de grens tussen Jordanië en de Westelijke Jordaanoever, moesten Paula en ik er als eersten uit. Ik kon zo doorlopen. Paula’s bagage werd helemaal doorzocht. Al haar boeken werden grondig bekeken, net als alle blaadjes in haar multomap. Ik stond verderop op haar te wachten, toen ik werd teruggeroepen. De brief was ontdekt. Er stond in hoe je een bom moest maken. Maar dat zouden we pas veel later horen.

‘In een jeep zijn we naar Jeruzalem gebracht en in een kleine, smerige cel gegooid. De eerste nacht met zijn tweeën, daarna apart. Bijna twee weken zaten we in een compleet isolement. De verhoren waren intimiterend. Er werd geschreeuwd, niet geslagen. Ik merkte dat ze bijna alles wisten: wie de brief had geschreven, naar wie we op weg waren. Ontkennen had weinig zin. Maar Paula had een andere strategie: zij zei helemaal niks. Bij haar hebben ze gedreigd om injecties te geven.

‘Het was een hel. Brieven van thuis werden achtergehouden, zelf schrijven was verboden. Je kreeg te eten, maar dat was behoorlijk smerig. Soms moest je naar een rechter die het arrest verlengde. Daar zag ik Paula dan even, zonder dat we met elkaar mochten praten. Een advocaat kregen we niet, contact met de Nederlandse ambassade evenmin. Pas na twaalf dagen kwam er een consul langs.

‘Diezelfde avond kwam er een medegevangene, een Palestijnse vrouw, die in mijn cel wilde douchen. Ze wist precies waarom ik vastzat en zei de vrouw te kennen bij wie wij de brief wilden bezorgen. Toen zei ze: “Wist je dat je voor dat vergrijp twintig jaar gevangenisstraf kan krijgen?” Ik schrok ontzettend. Tot die tijd was ik niet zo ongerust geweest. Ik dacht: ze laten ons wel vrij. Maar door haar opmerking beleefde ik de ergste nacht van mijn leven.

‘Het verhoor duurde de hele dag. Ik werd gedwongen een verklaring in het Hebreeuws te ondertekenen. Ik weigerde: ik kon het immers niet lezen. Maar ik was ziek, bekaf, voelde me verschrikkelijk en werd keihard onder druk gezet. Nadat ze uiteindelijk stukken in het Engels vertaalden, heb ik het maar ondertekend. Toen ik ’s avonds laat terug naar mijn cel mocht, zag ik voor het eerst mijn advocaat. Vijf minuten, met een soldaat ernaast.

‘We werden overgebracht naar een vrouwengevangenis in Ramleh, waar de omstandigheden aanmerkelijk beter waren. We mochten naar buiten en konden met Palestijnse gevangen praten. Van hen hoorden de vreselijkste verhalen: ze waren tijdens verhoren met water overgoten, gemarteld of verkracht – soms zelfs met stokken. Van andere verdachten was de halve familie opgepakt: ouders, broers en zussen werden naakt in elkaars bijzijn vernederd. We waren geschokt. Dit moeten we onthouden, zeiden we tegen elkaar, en bekendmaken. Zo kunnen we ze helpen.

‘Pas op de avond voor het proces kreeg onze advocaat de stukken en konden we haar voor het eerst zonder soldaten spreken. Gelukkig kon onze advocaat bewijzen dat mijn verklaring onder intimidatie tot stand was gekomen. We werden veroordeeld tot dertig maanden celstraf, maar daarvan was 26,5 voorwaardelijk. Bij de zitting zag ik de vrouw die in mijn cel was komen douchen. Ze bleek wel vaker hand- en spandiensten voor de Israëli’s te leveren.

‘Op 21 november werden we ‘s morgens vroeg naar Tel Aviv vervoerd. De sfeer was grimmig. Toen we het KLM-toestel binnen liepen, wisten we niet wat ons overkwam. Opeens werden we heel hartelijk ontvangen met champagne en lekkere hapjes. Na de landing kwam de marechaussee het vliegtuig binnen. Voordat we met onze familie en de pers gingen praten, wilden twee heren ons spreken. Dat bleken de baas van Paula – die werkte naast haar studie – en een goede vriend van ons te zijn. Ze hadden bij de Nederlandse regering aangedrongen om bij Israël aan te dringen voor vervroegde vrijlating. Nu dat gebeurd was, vroegen ze ons of we niet te negatief over Israël wilden zijn. Dat zou hen in problemen kunnen brengen. Hoewel we van plan waren ook over de martelingen van Palestijnen te vertellen, hebben we dat toen niet gedaan.

‘Om het lot van de gevangenen te verbeteren hebben Paula, Wim en ik een zwartboek gemaakt dat we naar politici en mensenrechtenorganisaties stuurden. Of het heeft geholpen, weet ik niet. Wim hoorde ooit dat de minister van Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel, de Israëlische ambassadeur op het matje zou hebben geroepen. We hebben in het archief van BZ nog naar bewijs daarvoor gezocht, al schijnen van dat soort gesprekken niets te worden bewaard. Van der Stoel liet weten het zich niet te herinneren. Gelukkig zijn enkele jaren later regels gesteld aan de gevangenisverhoren.

‘We hebben ons suf zitten te piekeren: waarom schrijft iemand zo’n brief? En waarom op zo’n manier? Wie heeft de Israëli’s ingelicht? Toen Paula en ik de brief in Amman aan Wims schoonzus lieten lezen, waren er twee mannen bij. Ik vond dat toen niet prettig, maar kennelijk vertrouwde die schoonzus hen. Ik heb geen moment gedacht dat we meehielpen aan het voorbereiden van terroristische actie. De strijd moest met politieke middelen worden gevoerd, niet met aanslagen op burgers. Daarover hebben we die bewuste avond met George nog een hevige discussie gevoerd. Achteraf ben ik geneigd te zeggen: we zijn te goedgelovig geweest.

‘Afgelopen zomer ben ik teruggeweest. Ik had gehoopt met George te kunnen praten, maar hij was inmiddels oude man met hartklachten. Hij bleef erbij dat het geen stomme actie was geweest, maar heeft wel excuses gemaakt voor de gevolgen. Die zijn niet misselijk geweest. Die vrouw voor wie de brief was, heeft zes jaar gezeten.

‘Paula kreeg het na onze thuiskomst erg moeilijk. Ze had weinig persoonlijke steun: haar moeder was bijvoorbeeld heel erg pro-Israël. Voor mij viel het allemaal wel mee: ik woonde samen met mijn vriend en werd door de universiteit goed geholpen bij het voltooien van mijn studie. Maar Paula raakte depressief. We hebben nog lang contact gehad, totdat ze opeens niets meer met die tijd te maken wilde hebben. Ze nam er afstand van, wilde er nooit meer over praten. Het leidde tot een breuk. Ik dacht: ze komt wel weer tot bezinning. Later hoorde ik via via dat ze in 1985 zelfmoord had gepleegd. Ze was toen 36.’


Margot Heijnsbroek, Reisdoel Palestina (tweede herziene druk), Papieren Tijger, 194 pgs. € 17,50

De documentaire Verdacht van terrorisme: Leidse studentes in de cel van Jacqueline de Bruijn is vanavond te zien bij VPRO’s Andere Tijden, 21.25 uur Nederland 2 (herhaling op zaterdag 6 februari, 13.10 uur)


Deel op Facebook

Tweet
Deel op Facebook