Mare Nummer 25     26 maart 2009

25

FOTO: Illustratie: Michiel Walrave
Wat hier staat is strikt genomen onzin
Omzichtige en nietszeggende bewoordingen in het Instellingsplan 2010-2014 verraden grote wanhoop

Het college van bestuur verstopt achter inhoudsloze taal, concludeert hoogleraar taalkunde Marc van Oostendorp na lezing van het voorlopige ‘Instellingsplan 2010-2014’. De toekomstvisie van de universiteit bevat een ‘verbluffende woordenrijkdom waarmee vrijwel niets wordt gezegd’.

DOOR MARC VAN OOSTENDORP Wat is een inspirerende docent? Wie zich die prangende vraag stelt, kan binnenkort terecht bij het nieuwe ‘Instellingsplan 2010-2014’ dat het college van bestuur aan het opstellen is. Zulke docenten zijn heel belangrijk, meent men aldaar. Daarom heeft men zorgvuldig nagedacht over een definitie en is tot het volgende gekomen: ‘inspirerende docenten hebben het vermogen studenten te inspireren.’

Het zinnetje is helaas kenmerkend voor het concept-instellingsplan dat sinds eind januari circuleert. Er is ongetwijfeld veel te zeggen over de inhoud van het plan, maar het oog blijft in eerste instantie haken aan de vorm: de eufemismen, de omzichtigheid, de nietszeggende bewoordingen.

Eufemismen worden gebruikt zolang de mens taal heeft. Er is waarschijnlijk geen cultuur die alle onaangename dingen - de dood, ziekte, ontlasting - onbekommerd benoemt. En zo heeft de moderne Nederlandse universiteit haar eigen problemen. Wat is naarder dan een student die alleen maar met zo min mogelijk moeite een diploma wil halen, zonder werkelijk enthousiasme voor de wetenschap?

Toch kan een moderne bestuurder het zich niet veroorloven om zo iemand al te veel over de hekel te halen. Iedere student telt en bovendien zijn zulke studenten relatief goedkoop omdat ze geen nodeloze extra colleges volgen. Dus beschrijft het plan hen als studenten die ‘de studie nominaal wensen af te ronden.’

Degenen die naar Leiden komen om te doen wat een student zou moeten doen, namelijk zoveel mogelijk kennis vergaren, creëren dan weer het probleem dat ze meer geld kosten dan de nominalen. Ook dat probleem kan niet benoemd worden. Zij krijgen ‘excellentieprogramma’s, zoals ingebed in ons Bachelor XL-programma’ aangeboden, waarbij alleen al de complexiteit van de inbedding ­ we hebben het niet over zomaar wat willekeurige excellentieprogramma’s, maar die onderdeel uitmaken van weer een ander programma ­ laat zien hoe extreem het geacht moet worden als een student een extra vak doet.

Nog een voorbeeld over hetzelfde onderwerp: ‘Deze wens tot groei [van het marktaandeel van de studenteninstroom] komt voort uit een maatschappelijke verantwoordelijkheid om meer mensen op te leiden, maar ook uit het belang van de universiteit om haar brede profiel in stand te kunnen houden.’ Wat hier staat is strikt genomen onzin.

Het is helemaal niet de ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ van de Universiteit Leiden om studenten te trekken die anders naar de Utrecht of Delft zouden gaan en wat het brede profiel ermee te maken heeft is ook niet meteen duidelijk. Tenzij je begrijpt wat er niet gezegd wordt: dat de universiteit nu eenmaal te maken heeft met een stupide manier van geld verdelen waarbij studenteninstroom een belangrijke factor is.

Heel mysterieuze zinnen zijn ook de volgende: ‘Het Leidse onderwijsaanbod is weliswaar zeer breed, maar is weinig uitgesproken. Opleidingen zijn veelal traditioneel en disciplinair.’ Wie niet is ingevoerd in de leefwereld van de universitaire bestuurder begrijpt hier niets van. ‘Weinig uitgesproken’ is een negatieve qualificatie en je verwacht dat de volgende zin deze nader toelicht. Maar wat is er ‘weinig uitgesproken’ aan een traditionele opleiding? En wat is er negatief aan disciplinariteit?

Eerlijk gezegd is in dit geval het eufemisme zo verhullend dat het mij zelfs na lezing van het hele instellingsplan niet duidelijk geworden is wat ik mij moet voorstellen bij een ‘uitgesproken onderwijsaanbod’. Vermoedelijk bedoelt men ook hier weer: een dat zoveel mogelijk ‘nominale’ studenten trekt – maar hoe ‘uitgesproken’ is dat? (‘Het opleidingenaanbod behoeft nadere articulatie’, wordt er elders ook nog beweerd.)

Het fascinerendst zijn echter de omzichtigheid en de verbluffende woordenrijkdom waarmee af en toe vrijwel niets wordt gezegd. ‘Onze universiteit ziet de docent als cruciale factor in het onderwijs,’ meldt het instellingsplan bijvoorbeeld, alsof er andere universiteiten zijn die zoveel belang hechten aan de kwaliteit van de krijtjes en het katheder dat ze denken dat de docent onbelangrijk is.

Of: ‘Leiden is als vestigingsplaats aantrekkelijk’, alsof het denkbaar is dat we het Academiegebouw steen voor steen herbouwen aan de oevers van de Charles River. Waar we dan overigens niet meer kunnen samenwerken met de gemeente Leiden ‘om Leiden als innovatieve actor in de kennissamenleving krachtig op de kaart te houden’.

De delen over het onderzoek zijn net zo goed rijk aan holle frasen: ‘Daartegenover zal de universiteit aan talent incentives moeten bieden die voor betrokkenen aantrekkelijk zijn’. Wat suggereert dat er ook is overwogen om incentives (prikkels) te bieden die de betrokkenen warm noch koud maken.

Als slogan voor de komende paar jaar stelt het plan voor: ‘Leiderschap in kennis; kennis voor leiderschap’, waarbij de eerste helft van de zin nogal pretentieus is, en de tweede een wel heel beperkte visie op het onderwijs biedt - alsof het type Leidse student dat zich tot een ‘leider’ wil ontwikkelen degene is waar het om draait, met uitsluiting van pakweg de diplomaat, de leraar en de intellectueel.

Hoe komt het toch dat het college zich verstopt achter inhoudsloze taal? Het plan maakt op mij de indruk van grote wanhoop. De situatie is belabberd, door de overheid wordt er alsmaar grotere druk uitgeoefend om met steeds minder geld steeds excellenter te worden, maar in plaats van deze situatie te benoemen wordt er op een krampachtige manier blijmoedig gedaan alsof we daadwerkelijk binnenkort een wetenschappelijk en didactisch Elysium binnentreden.

Het is bange taal van iemand die niet durft te zeggen waar de schoen wringt, niet de inspirerende taal van iemand die inspireert.


Marc van Oostendorp is hoogleraar fonologische microvariatie