Column: De papegaai die het snapte

Ik zoek graag plekken op waar menselijk handelen de natuur echt goed heeft verkloot. Zo heb ik ooit in Kazachstan 25 uur in een aftandse Sovjet-trein gezeten om bij de voormalige havenstad Aralsk te komen. In de jaren ‘60 leek het iemand een goed idee om een gigantisch kanaal te graven richting Oezbekistan, om daar in een dor en droog gebied katoen te verbouwen. Je kunt er nu op vrachtschepen klimmen die op de woestijnbodem van het vroegere Aralmeer weg liggen te roesten.

In Curaçao ligt een pikzwart asfaltmeer, naast de Isla-raffinaderij, ruim vijftig hectare aan chemisch afval. Het stamt nog uit de Tweede Wereldoorlog, en ligt er waarschijnlijk over een miljoen jaar nog.

In Tsjernobyl zag ik hoe de natuur een stad kon overnemen als de mens zichzelf had verjaagd. Het is verschrikkelijk, ja, maar de destructieve kant van de mensheid is ook indrukwekkend, en stiekem zelfs een beetje inspirerend.

Afgelopen week was ik in Indonesië, waar ik een workshop had moeten geven. Gelukkig kon een collega die overnemen terwijl ik met enige teleurstelling mijn eerste portie authentieke beef rendang aan het uitkotsen was.

Ruim twee weken later, tegen het einde van mijn reis, was ik op Bali beland. Op straat werd ik aangesproken door een willekeurige scooterrijder. Zijn naam was Yadi. ‘Brother’, zei hij met een grote glimlach, ‘I know this island. I know everything. Beautiful things. Ugly things. I can show you everything.’ Dat zeiden ze allemaal, maar iets aan Yadi deed me hem geloven. Ik wilde naar een vogeltjesmarkt, zei ik. Eentje waar ze de mooiste, duurste, illegaalste vogels hebben. Vogeltjes die op het punt staan uit te sterven, omdat wij ze mooi vinden.

Na een uur onder de brandende zon te rijden stonden we, ergens ten noorden van Seminyak, tussen de honderden kooitjes met duizenden kwetterende vogeltjes. ‘Deze zijn goedkoop’, wees hij op een kooi vol duifjes die in blinde paniek tegen de spijlen en elkaar vlogen. ‘Dertig euro voor deze’, zei hij gebarend naar een felblauw-zwart vogeltje met rode ogen dat verdwaasd in een hoekje zat. ‘En dat is de duurste’, sprak hij bij een prachtige zwart-groene vogel die van de ene kant naar de andere kant van het kooitje fladderde, alsof het niet kon geloven dat er geen buiten meer was. ‘Die kost meer dan zestig euro. Dat is duurder dan een vrouw. Kan ik ook voor je regelen.’ Weer die grote glimlach.

Via Yadi vertelde de eigenaar van de vogeltjesmarkt alle soortnamen, en precies hoe je voor elk vogeltje moest zorgen. Ik wilde zien hoe ver ik kon gaan, en vroeg: ‘Hoe lang geleden heb je deze gevangen? En waar?’ Yadi vertaalde het niet. ‘Recentelijk’, opperde ik ‘want ze zijn duidelijk niet gewend aan gevangenschap’. Peinzend keek Yadi me even aan en antwoorde: ‘Brother, some things you do not ask in a place like this.’

In een hoek hing een kooi met een kleine papegaai, die rustig mijn rondgang langs de kooitjes volgde. Geen spoortje paniek. Toen we oogcontact hadden draaide het beestje, zoals alleen papegaaitjes dat doen, zijn hoofdje ondersteboven, en beet, terwijl de oogjes me niet loslieten, in het stokje van zijn kooi. Dit beestje wist precies wat er aan de hand was.

Plots schoot een scène uit If This Is a Man door mij heen, het boek van Primo Levi, een Italiaanse Jood die Auschwitz overleefde. Hij beschreef hoe de bewakers hun ogen afwendden als de gevangenen afscheid van elkaar namen, vlak voordat ze op transport werden gezet. Ik weet niet wat dat papegaaitje dacht, terwijl het me strak zat aan te kijken. Maar ik heb me zelden zo schuldig gevoeld.

Benjamin Sprecher is universitair docent bij het Centrum voor Milieuwetenschappen in Leiden

Deel dit bericht:

Voorpagina

Achtergrond

Wetenschap

Nieuws

English page