Column: Traditie en innovatie

In de heersende propaganda geldt innovatie als de seks van de wetenschap. Die hebben inderdaad één ding gezamenlijk – ze worden allebei compleet overschat.

Wetenschap is per definitie conservatief, want haar meest basale drijvende kracht is een conservatieve houding: de aanschouwende verbazing die het wonderbaarlijke tot zijn recht laat komen en verklaren wil in plaats van steeds maar veranderend ingrijpen. Deze houding viert het spel dat verder geen doel kent, de vreugde in de complexiteit van de gulle natuur, het vermogen om te begrijpen gewoon omdat het kán. De Wijsheid die zich bij de schepping voor God vermaakte (Spreuken 8:30–31) is het archetypische beeld ervan.

Abstracte problemen, de oneindige rijkdom van de wereld en prestaties van hoogstaande beschavingen, de ijkpunten van iedere wetenschap, vergen bescheidenheid. Ze zijn de inhoud van een gesprek over de eeuwen heen dat door iedere generatie vernieuwd wordt. Het duurt steeds enige tijd om bij nieuwe ontdekkingen kaf en koren te scheiden en de reikwijdte betrouwbaar te taxeren. Uiteraard moet ook de stem van de doden gehoord worden. De zuiverende overdracht van kennis binnen academische tradities is daar de gepaste vorm voor.

Tradities provoceren echter door hun elitaire uitstraling: ze veronderstellen een ‘binnen’ en een ‘buiten’, maar ook de duurste gedeclareerde Grand Cru verleent er niet per se toegang toe, het schreeuwende maar slecht zittende pseudo-bankiersstreepjespak van het rek – helaas geen aftrekpost, dus dan maar goedkoop – helemaal niet.

Desondanks is het de primaire taak van universiteiten om beproefde tradities te bewaren en voor degenen te ontginnen die bereid en geschikt zijn om er door met hard werk gevormd talent deel van uit te maken. Ik heb daarom altijd veel waardering gehad voor mensen die via een colloquium doctum binnen zijn gekomen, omdat ze durf en ambitie vertoonden, al lag een studie vanwege hun achtergrond niet voor de hand. Dat is immers wat moeilijker dan jarenlang op het vwo te slaapwandelen en vervolgens nog eventjes op dezelfde voet door te gaan.

Aangezien het streven van de geest nooit ophoudt, komt de vooruitgang op een gegeven moment vanzelf wel. Hij wordt juist door het koesteren van traditie en vakmanschap bevorderd, want tot nu toe is nog iedere innovatie van belang gegrondvest in de meesterlijke beheersing van het bestaande paradigma. Ook spontaan ogende doorbraken zoals de ontcijfering van schriften hebben vaak een langere aanloop; soms werden ze zelfs op een veel vroeger moment geanticipeerd.

Het concept ‘epistemische modaliteit’ (‘het zou kunnen dat’) bijvoorbeeld geeft sinds een aantal jaren een fundamenteel beter inzicht in de ingewikkelde samenhang tussen de categorieën tijd, (on)voltooidheid en mogelijkheid in de werkwoordelijke systemen van talen, en voor het Semitisch wordt het pas sinds zo’n vijftien jaar toegepast. Maar met een iets andere terminologie kwam ik het ooit in een totaal vergeten boek over het Hebreeuws uit 1846 tegen.

Af en toe moet men weliswaar de feniks zijn voorrecht betwisten en de eigen glans vernieuwen om niet steeds bij hetzelfde trucje te blijven staan. Dat lukt echter alleen door oprecht meer te willen weten en niet door wanhopig op zoek te gaan naar iets wat nog niemand beweerd heeft. Blijvende ontdekkingen ontstaan omdat een keer iemand bij de alledaagse wetenschapsbeoefening een ‘spark’ heeft en iets ziet: een parallel, een patroon, een samenhang. Rilke heeft dit in het gedicht Werkleute sind wir raak verwoord: we zijn als bouwlui van verschillende niveaus bezig, maar soms komt een gewichtige reiziger uit de verte en laat ons een geheel nieuwe greep zien.

Desondanks werkt traditie geenszins luiheid in de hand. De ijzeren wil om standaarden hoog te houden en zich te bewijzen terwijl de grootheden van weleer toekijken, zou iedereen moeten motiveren om zijn best te doen. En toch kan zij tenminste enige bescherming bieden tegen de bekende gevolgen van buitensporige competitie, perfectionisme en innovatiedruk: aan tobben, depressie, slaap- en eetstoornissen, in de ergste gevallen psychopathologieën en suïcidaliteit, staat het troostende besef tegenover opgenomen te zijn in iets dat de eigen persoon ver overstijgt.

Holger Gzella is hoogleraar Hebreeuwse en Aramese taal- en letterkunde

Deel dit bericht:

Voorpagina

Geslepen strategen

Zaterdag begint in Pyeongchang het Olympisch schaatstoernooi. Leidse onderzoekers hielpen …

Achtergrond

Wetenschap

Nieuws

Homobeweging overhoop

Leiden University Pride doet niet meer mee aan de festiviteiten rond het vijftigjarig …

English page

Mafia changed to Mario

A Mafia-themed party held by student club De Leidsche Flesch did not go down well with …