Mijn brein is stuk

Letsel van de Nederlandse missie in Uruzgan

Foto: Evert-Jan Daniels/Hollandse HoogteNederlandse militairen van de luchtmobiele brigade op patrouille in Uruzgan.

Door Vincent Bongers

Wat gebeurt er als je op een bermbom rijdt? Een militair en chirurg promoveerde deze week op de verwondingen van de Nederlandse soldaten in Uruzgan. Een andere militair legt uit wat de explosie met hem deed. ‘Niets zat nog op zijn plaats.’

‘Het duurde nog geen drie seconden, maar naar mijn gevoel gingen er minuten voorbij. Ik zat met twee andere militairen in het een na laatste voertuig van een konvooi. Plotseling kwam er licht van beneden. Vreemd, dacht ik nog, dat hoort niet. Na de flits kwam de drukgolf en de enorme klap. Gruis en stenen sloegen op het dak. Het is best lastig om met volle bepakking naar buiten te klimmen, maar op zo’n moment word je een klein acrobaatje. Het dak van het voertuig leek wel een maanlandschap. Niets zat nog op zijn plaats.’

Niels Veldhuizen (1978) reed op 10 december 2008 in Uruzgan op een bermbom. Hij was als militair verpleegkundige uitgezonden naar Camp Hadrian nabij de Afghaanse stad Deh Rawod, als onderdeel van de ISAF-missie, die duurde van 2006 tot 2010. Hij overleefde de aanslag, en schreef er een boek over dat vorig jaar verscheen: Oorlog in mijn kop.

Militair en chirurg Rigo Hoencamp werd ook uitgezonden naar Afghanistan. En ook hij schreef een boek: Task Force Uruzgan, Afghanistan 2006-2010: medical aspects and challenges, waarop hij dinsdag in Leiden promoveerde.

Bermbommen zorgden er voor het meeste letsel, aldus Hoencamp, die geen interview met Mare wil. ‘In 85 procent van de gevallen waren explosieven het letselmechanisme’, schrijft hij in zijn proefschrift. Van de 24 gesneuvelde soldaten stierven er 11 door een zogeheten improvised explosive device (IED). ‘Dit wapen zorgt voor een specifiek slachtofferpatroon.’

‘We zaten in een Patria pantserwagen’, vervolgt Veldhuizen. ‘Dat maakte voor ons het verschil tussen leven en dood. Mijn handen en voeten zaten gelukkig nog waar ze hoorden. Ook mijn medepassagiers waren relatief in orde. Je bent bezig met overleven. Je staat stil, dus je bent een schietschijf voor de Taliban. Maar je weet ook: er is nooit één bom, er zijn er altijd meerdere.

‘Door de adrenaline had ik geen pijn. Die voelde ik later pas, toen ik zag dat ik helemaal bont en blauw was. Er was geen ziekenhuis op onze basis. We hadden alleen arts, maar daar ben ik niet heengegaan. Ik had geen klachten.

‘De cultuur binnen de Luchtmobiele Brigade is er een van: niet zeuren. Je hebt geen tijd voor reflectie. Van de 150 dagen in Uruzgan bracht ik er 135 buiten de poort door. Je pakt een douche, probeert wat te slapen en weg ben je weer.

‘Soms waren we een stel neanderthalers. We lieten mensen achter waarvan we wisten dat ze de nacht niet zouden overleven. We kregen baby’s in handen gedrukt die we niet konden meenemen en wer aan wanhopige ouders teruggaven. We hadden niet geleerd om daarmee om te gaan.

‘Er was nog een probleem. De mensen die we moesten helpen, deden verschrikkelijke dingen. Wij moesten boeren in acht weken opleiden tot politieagenten. Dat kan niet. Zo krijg je analfabete agenten die ook nog een zwaar wapen mochten dragen. Die macht misbruikten ze.

‘De kinderverkrachtingen waren het ergste. We kregen een bacha voor de nacht aangeboden, een jongetje opgemaakt als meisje. In het begin was ik heel naïef. Dan behandelde ik een jongen met een anusruptuur. Hij was op een bezemsteel gevallen, zeiden ze dan. Ik walgde daarvan. We slaagden er niet in de kinderen te beschermen. Dat vreet aan je geweten.’

Ze zeggen net niet: hij is gek

‘Ik heb de missie gewoon afgemaakt. Pas in Nederland kwam ik er achter dat er iets mis was. Ik kreeg nachtmerries, en duldde geen tegenspraak meer.
‘Ik was altijd een vriendelijke jongen, maar nu werd ik al woest als iemand de pindakaas op de verkeerde plek in de kast zette. Voor een militair is het van levensbelang dat alles op de juiste plaats staat. Als dat niet zo is, dan kan dat in een crisissituatie je dood betekenen. Ik was nog steeds in vechtmodus.
‘Ik zocht uiteindelijk hulp toen ik woedend werd op een kind dat een bal tegen mijn hoofd gooide. Mijn zonnebril vloog van mijn gezicht. Ik was door de dolle heen. Gelukkig heb ik niet geslagen. Mijn vrouw zei: “Nu is het afgelopen met dat gekloot. Je gaat naar de dokter.”
‘Het traject verliep moeizaam. Ik ging naar de militaire huisarts. In plaats van vijf dagen duurde het acht weken voordat ik terechtkon bij een psycholoog. Posttraumatische stressstoornis (PTSS), luidde de diagnose. Dat is goed te behandelen, maar mijn therapie sloeg niet aan. Ik had klachten die werden omschreven als “vaag”. Ze zeiden nog net niet: “Hij is gek.”
‘Ik heb altijd gedacht dat er meer aan de hand was. En dat bleek uiteindelijk ook te kloppen. Defensie legt inmiddels iedereen die door een bermbom is getroffen, onder de MRI-scanner. Na een hersenscan bleek dat ik littekens heb van kleine bloedingen in mijn hersenen.
‘Bij een explosie heb je eerst een drukgolf naar buiten. Daarbij kun je interne bloedingen oplopen en raken je organen beschadigd. Dan volgt de drukgolf naar binnen. Bij die tweede klap zijn eiwitstolsels in mijn hersenen ontstaan. Pijnprikkels bereiken mijn hersenen via een omweg. Daardoor worden er andere zintuigen geactiveerd. Als ik bijvoorbeeld een nagel in mijn arm zet, dan voel ik de pijn uiteindelijk wel, maar ik ruik en zie deze ook. Het is onduidelijk of daar iets aan te doen is.
‘Officieel ben ik nog in dienst van Defensie. Maar ik gebruik allerlei zware medicijnen en dat gaat volgens de instanties niet samen met het leven van een militair. Als ik me relatief goed voel, doe ik werk op projectbasis.
‘Mijn brein is stuk. Mijn littekens zijn aan de buitenkant niet te zien. Dat is wel een groot verschil met militairen die zichtbare verwondingen oplopen. Mensen snappen minder goed dat er toch echt iets met je aan de hand kan zijn.’

Niels Veldhuizen, Oorlog in mijn kop. Uitgeverij Nieuw Amsterdam
176 pag., € 18,95

Slachtoffers hebben vaker stress

Deze week promoveerde militair en chirurg Rigo Hoencamp op het proefschrift Task Force Uruzgan, Afghanistan 2006-2010: medical aspects and challenges.

Daaruit blijkt dat Niels Veldhuizen veel geluk heeft gehad. Hij mag dan beweren dat de Patria pantserwagen ‘het verschil tussen leven en dood maakte’, de platte bodem van dat voertuig bleek juist uiterst kwetsbaar te zijn bij ontploffingen van bermbommen, aldus Hoencamp.
Defensie stapte daarom al snel over op de Bushmaster, een voertuig met een bodem in een V-model. Die vorm zorgt ervoor dat de energie van de explosie langs de zijkanten wordt weggeleid.
‘De aanschaf van deze voertuigen was heel verstandig’, zei de promovendus dinsdag tijdens de verdediging van zijn dissertatie. ‘Dat scheelde zeker honderd slachtoffers.’
De belangrijkste punten uit zijn dissertatie:

  • Hoencamp deed onderzoek naar de naar Uruzgan uitgezonden medici. Het blijkt zij niet vaak lijden aan een posttraumatische stressstoornis.

  • Bijna de helft van de chirurgen en anesthesisten had na uitzending echter wel behoefte aan een onafhankelijke coach om mee te praten over hun ervaringen. Veel geënqueteerden benadrukken dat het van belang is dat ze met een breed sociaal netwerk binnen en buiten Defensie kunnen praten over wat ze hebben meegemaakt.

  • Hoencamp volgde ook de groep gewond geraakte militairen toen zij eenmaal terug in Nederland waren. Het blijkt dat vijf jaar na uitzending ruim 90 procent van hen nog in actieve dienst is.

  • Het blijkt echter dat hun ‘kwaliteit van leven’ significant lager is dan die van de controlegroepen. ‘Ze hebben onder andere meer last van stress’, schrijft Hoencamp. ‘Het eerder oppikken van signalen van verhoogde stress is van groot belang. Adequater behandelen is dan mogelijk.’

  • Hoencamp is voorstander van een NAVO-breed registratiesysteem van verwondingen. Dan komt er beter inzicht in het soort verwondingen dat militairen oplopen. ‘Ook is het noodzakelijk om materialen te ontwikkelen die er op zijn gericht om de nek en het hoofd beter te beschermen. Van de behandelde Nederlandse militairen had 32 procent een verwonding aan deze lichaamsdelen.’

  • Om slagveldverwondingen goed te kunnen behandelen, zijn chirurgen met een specifieke opleiding nodig’, stelt Hoencamp. ‘De huidige civiele heelkunde voorziet niet in de minimaal benodigde competenties van een militair chirurg. Dat gat groeit steeds verder, omdat er steeds meer sprake is van superspecialisatie. Weinig chirurgen worden nog blootgesteld aan verwondingen aan botten, borst en bloedvaten. Een gericht trainingsprogramma om chirurgen en anesthesiologen voor te bereiden op oorlogschirurgie ontbreekt op dit moment.’

  • Zijn aanbeveling: ‘Stuur chirurgen in opleiding voor een periode van vier tot zes weken naar conflictgebieden als onderdeel van hun medische opleiding.’ 

Voorpagina

Mijn brein is stuk

Wat gebeurt er als je op een bermbom rijdt? Een militair en chirurg promoveerde deze week …

Achtergrond

Wetenschap

Nazikunst

Kunsthistoricus Ger Jacobs promoveerde op de Franse beeldhouwer Aristide Maillol (1861 …

English page