Betrapt door Poekie

CSI met kattenharen

Door Bart Braun

Een Leidse biologe studeerde af op een manier om katten te herkennen aan hun haren. Daar helpt ze misdaden mee op te lossen. ‘Je ontkomt er als kattenbezitter haast niet aan dat je haren meebrengt.’

‘Stel, iemand is vermoord en in een vuilniszak gestopt’, zegt biologe Leonie Bergwerff. ‘Die vuilniszak is dichtgemaakt met tape. In die tape vindt de politie haren die van een kat lijken te zijn. Het slachtoffer heeft geen kat, maar een van de mogelijke verdachten wel.’ Dan kan de politie besluiten om die haren op te sturen naar het ‘deskundigheidsgebied Niet-Humane Biologische Sporen’, de afdeling van het Nederlands Forensisch Instituut waar Bergwerff afstudeerde en inmiddels werkt.

(English version here) Met een heel team van biologen en aanverwante wetenschappers onderzoekt zij de ‘stille getuigen’ uit de natuur. Van stuifmeelkorrels op iemands autodak tot algen op iemands kleren tot poezenharen: van alles kan ertoe leiden dat een misdrijf wordt opgehelderd. Bergwerff en haar collega’s hebben als taak om te zorgen dat dat ook gebeurt.

Wie een thuis een bankstel heeft, en wel eens een kattenbezitter op bezoek krijgt, weet dat die haren makkelijk meeliften. ‘Je ontkomt er bijna niet aan dat je haren meebrengt, als je een kat hebt’, vertelt de biologe. ‘Hoe vaak de politie ons vraagt om iets met kattenharen te doen? Dat gebeurt nu zo’n dertig keer per jaar, en dat was nog zonder dat we er iets over gepubliceerd hadden.’ Dat gaat veranderen: binnenkort verschijnt in het vakblad Forensic Science International: Genetics een artikel over de haren. ‘Die dertig zaken zijn overigens niet allemaal moorden’, benadrukt Bergwerff, ‘maar ook overvallen, of dierenmishandelingszaken.’

Als je een kattenhaar uittrekt, zit er aan het begin een haarzakje. Dat bestaat uit cellen, en in de kernen van die cellen zit DNA, het erfelijk materiaal dat de poes kreeg van haar vader en haar moeder. De huidige DNA-technologie is krachtig genoeg om eenvoudig te bepalen dat dit haarzakje afkomstig is van Poekie, de poes van de verdachte. Zulke mooie informatieve haren liggen echter maar zelden voor het oprapen op een plaats delict.
‘De haren die je vindt, zijn vrijwel altijd uitgevallen in plaats van uitgetrokken’, legt Bergwerff uit. ‘Dat haarzakje is dan allang afgebroken.’ Het NFI moet het daarom doen met the next best thing.

In de haar zit namelijk nog een ander soort DNA. Buiten de kern van cellen bevinden zich zogeheten mitochondriën, kleine cel-orgaantjes die verantwoordelijk zijn voor de energiehuishouding van de cel. En in die mitochondriën zit ook een beetje DNA. Dit zogeheten mitochondriaal DNA (mtDNA) valt wel uit die haren te peuteren en op te meten.

Dat DNA erven mensen en dieren niet van allebei hun ouders, maar alleen van hun moeder. Dat betekent u, uw moeder, uw broertjes en zusjes, uw oma en uw neefjes en nichtjes van moederskant, en zo nog flink wat generaties terug, allemaal hetzelfde mtDNA hebben. Het is dus niet geschikt om een haar aan één specifiek persoon of één specifieke poes te koppelen.

Bergwerff: ‘Als het gevonden mtDNA niet matcht, met bijvoorbeeld de kat van de verdachte, is dat ook informatief. Als het wèl overeenkomt, is de volgende vraag: hoe zeldzaam is dat?’ De ene mtDNA-variant komt namelijk vaker voor dan de andere.

Aan Bergwerff de taak om uit te zoeken hoe die varianten verdeeld zijn. ‘Er waren al databanken in de Verenigde Staten en in Engeland, die elk naar een specifiek stukje mtDNA keken. Wij kijken naar meerdere stukjes, en we hebben gekeken in hoeverre hun databanken kloppen met wat wij hier in Nederland vinden. Dat doen ze niet. De buitenlandse databanken zijn hier niet bruikbaar; de Nederlandse kattenpopulatie zit genetisch anders in elkaar dan die in Amerika of het Verenigd Koninkrijk.’

De kattenaanpak van het NFI onderscheidt zes hoofdgroepen, die zijn onderverdeeld in 37 verschillende mtDNA-varianten. Om te kijken hoe vaak die voorkomen, houdt het instituut een databank bij van Nederlandse poezen. Bergwerff: ‘Het personeel van het NFI heeft hun katten geswabt (met een wattenstaafje wangslijm afgenomen, red.). Ik ben bij kattenfokkers langs geweest om voorbeelden van de verschillende rassen te verzamelen.’

De verhouding waarin die mtDNA-varianten voorkomen, ligt in Nederland duidelijk anders dan in andere landen. De meest voorkomende variant is bij maar liefst 54 procent van de Nederlandse katten aanwezig. Als je snode plannen hebt, en daarbij kattenharen achter gaat laten, dan moet je maar hopen dat jouw kat die variant heeft. Andere varianten, het biologenwoord is ‘haplotypes’, zijn zeldzamer. Achttien haplotypes komen elk maar bij één op de honderd katten voor.

De onderzoekers kunnen dus niet zeggen dat de haar van Poekie is - of van een eventuele eeneïige tweelingzus van die kat. Ze kunnen wel zeggen dat het mitochondriaal DNA in de haar tot het haplotype NL-C5 behoort, net als Poekie.

En dat dat haplotype slechts bij 0,9 procent van de Nederlandse katten voorkomt. Bergwerff: ‘Dat kan dan aanvullend bewijsmateriaal zijn in een rechtbank.’

Zijn er na de katten nog meer dieren-DNA-onderzoeken gepland? Bergwerff: ‘We hebben nu de katten opgepakt, omdat daar relatief weinig over bekend was. Van honden wisten we al meer. Het is ook belangrijk om katten te kunnen onderscheiden, want daar zijn er ongeveer drie miljoen van in Nederland. Stel dat we al een alpaca-haar vinden, dan nog hebben we meestal niet te maken met meerdere verdachten die elk een alpaca-boerderij hebben.’

Voorpagina

Betrapt door Poekie

Een Leidse biologe studeerde af op een manier om katten te herkennen aan hun haren. Daar …

Achtergrond

Steeds meer jonkies

Het aantal studenten onder de achttien is in tien jaar tijd meer dan verdubbeld. Hoe …

Wetenschap

Nieuws

English page