Column: De ironie van de ironie

Onze generatie rest niets dan het grote schouderophalen. Elke hartstochtelijke overtuiging wordt meteen onderuit geschoffeld door een even plausibele tegenovergestelde overtuiging. Jonge mensen geloven niet dat zij nog iets van betekenis kunnen bijdragen aan een cultuur waarin alles al gedaan en geprobeerd is.
Die ironische houding is de bijl aan de wortel van onze beschaving, zo schreef Christy Wampole dit weekend op de opinieblog van The New York Times. De docente Frans aan Princeton University ergert zich aan de betekenisloosheid en inhoudsloosheid die van de hipstercultuur uitgaat. 'The hipster is a scholar of social forms, a student of cool.' Onoprechtheid alom. En wat laten wij nou na? 'Is an ironic legacy even a legacy at all?' Weg met die ironie!
Het doet denken aan het boek Contingentie, ironie en solidariteit van Richard Rorty. Hij pleitte er in 1989 voor te erkennen dat er geen absolute waarheid is, dat de hele wereld is zoals zij is door het toeval van de geschiedenis, en dat wij ons daar ook van bewust zijn. Met andere woorden, wij moeten de contingentie en ironie van het leven juist onderkennen – een liberale aanval op de grote ideeën- en geloofssystemen. Leve de ironie!
Het lijkt alsof het hierboven gaat over twee totaal verschillende definities van ironie. Toch is het niet onwaarschijnlijk dat de door Wampole gewraakte ironie (of eigenlijk: het sarcasme) een excessieve uitingsvorm is van de ironie van Rorty. Is hier een goedbedoelende, liberale ironicus in de jaren '80 ingehaald door de inspiratieloze generatie die daarmee opgroeide? Hoe ironisch...
Als we verder kijken dan hippe gympen en Instagram, zien we er ook trekjes van terug op de universiteit. De angst om iets wezenlijks achter te laten, bijvoorbeeld. Om stelling te nemen en ergens voor te staan, en te blijven staan. Liever verzanden wetenschappers in definitiediscussies, dan dat ze oplossingen bedenken voor grote vraagstukken. Liever weten ze alles over een nicheonderwerp dan over grotere onderwerpen uitspraken te doen waarop ze misschien gepakt kunnen worden. En wat geef je de studenten mee? Nee, die ironie heeft ons weinig moois gebracht.
Toch was het niet onterecht dat Rorty pleitte vóór ironie: ook in de wetenschap zijn godzijdank de grote systemen – of het nu marxisme was, of een extreem nationalisme, of religieuze dogma's – teruggedrongen. Alleen wat rest ons nu? Rorty bepleitte, als pragmatische benadering van sociale verhoudingen, het inzetten van verhalen. Door het kennen en overdragen van historische en mythologische verhalen kunnen wij een solidariteit voelen met anderen. Niet met de hele wereld natuurlijk – ga je maar eens solidair voelen met zes miljard mensen – maar wel degelijk met een 'wij', met een gemeenschap. Die gemeenschap kan open zijn en steeds worden verbreed.
Hier lijkt me een maatschappelijke taak weggelegd voor (met name) de Geesteswetenschappen: het aanreiken van verhalen. Michel Foucault reikte verhalen aan voor allerlei zelfpraktijken van het individu, in zijn poging een soort postmoderne ethiek te ontwikkelen. Waarom zouden wetenschappers niet precies op die manier ook kunnen bijdragen aan collectieve zelfpraktijken? Met die verhalen kan de gemeenschap zichzelf leren kennen en zich sterken en vormen.
Maar in het huidige ironische klimaat gaat dat niet gebeuren. Eerst moeten we ophouden om als academische hipsters een beetje nonchalant alles van betekenis de grond in te boren. Wij zouden ons moeten laten inspireren door de rijke wetenschaps-traditie waarin wij zelf staan, en in moeten zien dat die ons verplicht tot veel meer dan alleen het grote schouderophalen.

Geerten Waling
promoveert en doceert bij geschiedenis

Deel dit bericht: