Opinie: Het kan ook anders

Een wereld van verschil: studeren in Parijs

Meer dan zestig uur per week werken, een verplicht jaar in het buitenland, sporten, het milieu verbeteren en in de vakantie repetitoren volgen of stage lopen. Als dat in Parijs kan, vraagt Thomas van Kuilenburg zich af, waarom dan niet hier?

Het afgelopen collegejaar heb ik het voorrecht gehad om een semester in Parijs aan het prestigieuze SciencesPo internationale betrekkingen te studeren. Dankzij deze ervaring heb ik ondervonden dat onderwijs ook anders kan.
Met het oog op het gevaar ‘appels met peren’ te vergelijken wil ik wijzen op het verschil tussen de universiteiten in Frankrijk. Er bestaan volledig door de overheid gefinancierde universiteiten en particulier gefinancierde Grandes écoles die voortgekomen zijn uit onvrede over de kwaliteit van de bestaande universiteiten. SciencesPo (L’Institut d’études politiques) is een zelfstandig instituut maar vertoont veel gelijkenissen met een Grande école en kent vergelijkbaar strenge toelatingseisen, slechts één op de vijf studenten wordt toegelaten op basis van een examen en motivatie.
Om de kans op toelating te vergroten volgen de meeste deelnemers een prépa van twee jaar dat opleidt tot het toelatingsexamen (concours). In die tijd wordt uitgebreid aandacht besteed aan basiskennis van geschiedenis, wiskunde en talen, en specifieke kennis ten behoeve van de beoogde vervolgopleiding. De keuze daarvoor wordt dus al op jonge leeftijd gemaakt en vraagt om een behoorlijke investering. Dat heeft belangrijke consequenties voor het onderwijs. Regelmatig wordt er stevige kritiek geuit op het onderwijssysteem omdat het te weinig kansen zou bieden voor minder welgestelden. Deze kritiek wordt serieus genomen en het is een grote verdienste van de recent overleden directeur van SciencesPo, Richard Descoings, dat er ook plaats is gemaakt voor ambitieuze jongeren uit de banlieues.
De strenge toelating resulteert in wat voor mij de grootste eye opener was: de buitengewoon gemotiveerde studenten. Dat in combinatie met docenten die niet bang zijn om over de grenzen van hun eigen discipline heen te kijken maakt het onderwijs een uitdagend feest.
Het leven van een SciencePiste (zoals de studenten zichzelf noemen) is zwaar. Er wordt heel hard gewerkt, soms meer dan zestig (!) uur per week, een jaar doubleren is geen optie en een jaar studeren in het buitenland is verplicht. Daarnaast wordt van je verwacht dat je actief bent in sport en jezelf inzet voor een beter milieu. Een studentenvereniging kennen ze niet en vakanties worden gebruikt om repetitoren te volgen of stage te lopen.
Het onderwijs bestaat uit hoorcolleges en kleine werkgroepen (hoogstens twintig studenten) waarin veel aandacht wordt besteed aan de actualiteit en aan generieke vaardigheden. Bij voorkeur wordt de dag begonnen met een revue de presse waarbij verwacht wordt dat de studenten verschillende dagbladen lezen, die overigens gratis verstrekt worden, en de gekozen invalshoeken met elkaar vergelijken. De nieuwsitems worden vervolgens in een actuele en historische context geplaatst waarbij er bijna altijd een koppeling wordt gemaakt aan een glorieus feit uit de Franse geschiedenis. De Fransen zijn goed op de hoogte van hun eigen geschiedenis en zijn daar trots op!
Een groot onderdeel van de werkgroepen bestaat uit het houden van exposés, spreekbeurten waarbij volgens een vast stramien een problematique aan de orde wordt gesteld door de argumenten voor en tegen de stelling te bespreken en af te sluiten met een conclusie die een aanzet vormt voor discussie. Omdat 20 procent van het eindcijfer wordt bepaald door de kwaliteit van participatie in de groep worden er veel vragen gesteld en leidt de competitieve sfeer ertoe dat men er niet wars van is de ander het gras voor de voeten weg te maaien en af en toe een plaagstootje uit te delen.
Zo’n sfeer heb ik in Leiden zelden geproefd en wordt mede ingegeven doordat cijfers in relatie tot de groep gegeven worden en doordat iedereen droomt van toelating tot de École Nationale d’Administration (ENA) in Straatsburg, dé hofleverancier voor de politieke elite. Jaarlijks is er plaats voor slechts 100 studenten en de beste studenten van SciencesPo behoren daar steevast toe. Bijna alle oud-presidenten van Frankrijk hebben hun studie aan SciencesPo en later aan de ENA afgerond. Met uitzondering van Nicolas Sarkozy van wie wordt gezegd dat hij in 1981 niet bevorderd is vanwege onvoldoende kennis van de Engelse taal. Bij het horen van dat verhaal heb ik onmiddellijk vraagtekens geplaatst bij de aandacht die in Leiden besteed wordt aan Engels, een tweede of derde ‘vreemde taal’ en aan het buitenland in bredere zin.
In de relatie met het buitenland wordt door SciencesPo veel geïnvesteerd. Daardoor is er altijd een groot aantal internationale studenten die graag meer over elkaars cultuur willen leren. Dat biedt de mogelijkheid om nationale en Europese kwesties in perspectief te plaatsen.
In deze voor Europa onzekere tijden is het naar mijn mening van belang om te werken aan vaardigheden waarmee wij internationaal – dus ook buiten Europa - zaken kunnen doen. Een meer competitieve omgeving en uitdagender onderwijs dat beter aansluit op behoeftes van de markt horen daarbij. Als daar een concours voor nodig is, dan wordt dat hoog tijd. Een strenge selectie zal leiden tot een klimaat waarin studenten en docenten elkaar motiveren om het beste uit zichzelf te halen.

Thomas van Kuilenburg is masterstudent ondernemingsrecht

Deel dit bericht: