Je krijgt hem steeds later

Zaterdag worden in Zweden de Nobelprijzen uitgereikt. Maar waarom worden bekroonde wetenschappers steeds ouder? 'Een jonge Einstein wordt nu afgeremd, want met iets echt origineels haal je geen citaties binnen.'

Door Bart Braun

Er zijn duizenden redenen om naar de universiteit te komen, maar als je blijft, is dat omdat je de wetenschap in wil. En dan is de Nobelprijs het hoogst haalbare. Er zijn andere prijzen, er zijn zelfs prijzen waarmee meer geld is gemoeid, maar er kan maar één prijs de echte zijn.
Om een Nobelprijs te winnen, moet je iets bijzonders ontdekken. Het vooroordeel bestaat dat je daar jong voor moet zijn. Jonge honden-mentaliteit, de wetenschapper als rockster, dat idee. Albert Einstein zei dat iemand die voor zijn dertigste geen grote bijdrage aan de wetenschap heeft geleverd, dat ook nooit meer zal doen.

Goed nieuws voor de dertigplussers: er is nogal wat veranderd. In een recent artikel in het wetenschapsblad PNAS beschrijven twee Amerikaanse economen de gemiddelde leeftijd van Nobelprijswinnaars. Die stijgt. Al jaren.
Om te beginnen stijgt de leeftijd waarop mensen de prijs krijgen. Vroeger werd de Nobelprijs uitgereikt aan mensen die grote doorbraken hadden gedaan, tegenwoordig laat het comité een ontdekking even rijpen om te zien of het wel echt een doorbraak is. Dan Shechtman, die dit jaar de Nobelprijs voor de scheikunde won, deed zijn ontdekking 29 jaar geleden. Steeds vaker staan er tachtigers op het Zweedse podium.
Er is echter nog iets anders aan de hand, wat belangrijker is: de leeftijd waarop mensen hem inkoppen stijgt ook. Voor 1905 was een vijfde van de prijswinnaars jonger dan dertig toen hij – Marie Curie was in 1911 de eerste vrouwelijke Nobelprijswinnaar – zijn grote ontdekking deed. Dat zou de honderd jaar erop dalen naar iets boven de nul procent.
In de scheikunde nam in die periode het percentage af van mensen die hun doorbraak voor hun veertigste deed van 66 procent naar nul. De gemiddelde leeftijd waarop iemand een Nobelprijswinnende ontdekking doet, is opgeschoven met zevenenhalf jaar (geneeskunde) tot dertienenhalf (natuurkunde). De gemiddelde recente winnaar deed zijn ontdekking op zijn 48e. Einstein had het mis.
De wiskunde lijkt overigens een uitzondering te zijn: mathematici winnen hun Fields Medal zelden na hun veertigste. ‘Je moet veel in je werkgeheugen hebben voor wiskunde, en dat lukt moeilijker als je ouder wordt’, verzucht theoretisch natuurkundige prof.dr. Jan Zaanen. ‘Bij Nobelprijzen in mijn vakgebied zie je vaak een symbiose tussen een jonge wiskundige, en een oudere rot die de vergezichten in de gaten houdt.’
Als verklaring voor de stijgende leeftijd dienen zich twee verklaringen aan. 1. Het laaghangend fruit raakt op. 2. Wetenschappers krijgen pas later de kans krijgen om hun genialiteit te uiten. Henry van ’t Hoff, de Nederlandse chemicus die ontdekte dat er zowel linksdraaiende als rechtsdraaiende moleculen bestaan, publiceerde zijn ontdekking op zijn tweeëntwintigste. James Watson was 25 toen hij samen met Francis Crick de structuur van DNA in kaart bracht. Natuurkundige Werner Heisenberg ontdekte zijn matrixvergelijkingen op zijn 23e, en zijn onzekerheidsprincipe twee jaar later. Zijn collega’s Pauli en Dirac waren 25 en 26 toen ze hun doorbraken deden. Einstein beleefde zijn annus mirabilis, waarin hij met vier publicaties de natuurkunde op zijn kop zette, in het jaar dat hij 26 werd.
Briljante natuurkundigen die anno 2012 de Nobelprijs willen winnen, moeten zich eerst nog het werk van Einstein, Heisenberg, Pauli en Dirac eigenmaken voor ze zelf wat nieuws kunnen ontdekken. Wetenschappers staan op de schouders van reuzen, en moeten dus steeds langer klimmen om bovenaan de menselijke piramide te komen.
‘Ik durf de stelling wel aan dat het tegenwoordig moeilijker is om een Nobelprijs te winnen dan in hun tijd’, aldus Zaanen. ‘Toen de quantummechanica net ontdekt was, spoot alles naar voren. Of er ooit weer zo’n periode komt? Ik hoop het wel, het zou mooi zijn.’
Chemicus prof.dr. Jan Pieter Abrahams wijst erop dat opleidingen tegenwoordig breder zijn. ‘Er lopen op dit moment verrassend weinig Mozarts rond. Als zo geniaal zijn genetisch bepaald was, zouden er een hoop moeten zijn, want er zijn veel meer mensen dan in Mozarts tijd. Maar in het leerproces is veel veranderd. Vroeger was het normaler om kinderen al jong met slechts één ding te confronteren. Mozarts vader zou nu de gevangenis ingaan voor kindermishandeling. Wellicht werkt het op universiteiten ook zo: we krijgen een algemener beeld, en we moeten meer weten voor we chemicus zijn.’
Pas na je promotie mag je zelfstandig onderzoek doen, dat je zelf hebt verzonnen, aldus Abrahams. ‘Tot ongeveer je vijfendertigste doe je onderzoek dat een ander heeft bedacht. Daarbinnen heb je allerlei vrijheid, maar als in die periode je iets briljants uitvoert, gaat de Nobelprijs naar degene die het onderzoek verzonnen heeft.’
Daarnaast is er volgens Zaanen sprake van ‘veel meer conformerende druk’ op jonge onderzoekers. ‘Je leert al op jonge leeftijd dat er een citatie-index bestaat, en dat je daaraan moet werken als je carrière wil maken. Als je iets echt nieuws doet, kan het lang duren voor die citaties binnenkomen, en komt die carrière er dus niet van. Er bestaat een druk om allemaal met het laatste modische ding bezig te zijn; hele legers jong talent zijn bezig met confectiewetenschap. Een jonge Einstein zou nu worden afgeraden zo onorthodox te zijn, want daar behaal je geen citaties mee.’
Betekent de stijgende leeftijd dat ook de aard van de wetenschap verandert? Dichters pieken jong, romanschrijvers pas rond hun veertigste – en zij gaan vaak nog jaren mee. Gaat wetenschap meer op romanschrijven lijken, en minder op dichten? Zaanen kan zich in de vergelijking vinden: ‘Ik vind het logisch dat je voor een roman wijzer moet zijn. In de wetenschap werkt dat ook zo: je hersenen moeten rijpen, als kaas. Ze gaan coherenter werken; ik vind het dan ook prettig om oud te worden. Omgekeerd: is het niet zo dat je om goed te kunnen dichten, diep ongelukkig moet zijn? Echt ongelukkig kan alleen goed als je jong bent, want dan zijn je hersens nog niet uitontwikkeld.’
Voor onderzoekers geldt iets soortgelijks, betoogt hij: ‘Je krijgt een onmogelijke opdracht mee van je begeleider, en daar ga je maandenlang aan werken. Je probeert van alles, terwijl de mensen op de kamer naast je wel succes hebben. Op een gegeven moment maak je dan maar uit pure wanhoop die ene gekke zijsprong waar je mee doorbreekt. Grote wetenschap wordt uit groot ongeluk geboren. Als je verder bent in je carrière, is je aandacht meer versplintert, en komt dat niet meer voor.’
Abrahams vindt de vergelijking minder gepast: ‘Schrijven doe je alleen, en wetenschap is tegenwoordig een teamgebeuren. Je schrijft niet meer zo makkelijk een Nobelprijs bij elkaar met alleen pen en papier; daar is een hele infrastructuur en wetenschappelijke omgeving voor nodig. Overigens zou de leeftijd wel weer wat kunnen dalen: we zitten nu in een stroomversnelling in de communicatietechnologie, en daardoor hoef je niet meer bij elkaar in hetzelfde lab te zitten om van minuut tot minuut contact te hebben. Op dat punt hebben de jonkies nu een voordeel.’