Geheim van de verlegenheid

Mensen met sociale angst zien vaak erg op tegen gelegenheden die voor anderen alledaags zijn. Wetenschappers gaan behalve hen, ook hun familie onderzoeken.

Door Dirk-Jan Zom

Je moet een presentatie geven en bent zenuwachtig. Op zich geen probleem. Maar wat als dat de reden is om dan maar niet naar college te gaan? Als je wel vaker thuis blijft, je studie langzaam achterop raakt of je geïsoleerd raakt? Dan is er geen sprake meer van gewone verlegenheid, maar van sociale angst.

Binnenkort start nieuw onderzoek naar dit fenomeen en wel in een bijzondere setting: het Leiden Family Lab, een samenwerkingsverband tussen de Universiteit Leiden en het Leids Universitair Medisch Centrum, waarin naast sociale angst ook zwaarlijvigheid en mishandeling onderzocht worden. De studie naar sociale angst is opgezet door het Leiden Social Anxiety Network, een interdisciplinair team van psychologen, psychiaters, en neurowetenschappers. Behalve naar de verlegenen kijken ze ook naar kinderen, ouders, broers, zussen, opa’s en oma’s.
Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Michiel Westenberg doet met collega’s al tien jaar onderzoek naar sociale angst en de adolescentiefase, waarin sociale angst zich vaak ontwikkelt. Er ontstaat een steeds grotere gevoeligheid voor het oordeel van anderen en ook het bewustzijn dat anderen je observeren, vertelt Westenberg. ‘Dat is een normale ontwikkeling, maar bij sommige mensen schiet het door, ze worden angstig en gaan dingen vermijden.’
En dat kan leiden tot ernstige problemen: overgeslagen worden bij promoties of helemaal de deur niet meer uitkomen.
‘We doen onderzoek naar schoolweigering. Er zijn kinderen die niet naar school durven. Hoe krijg je hen weer naar school? Dat is lastig, vooral als er sprake is van sociale angst, die is moeilijk te behandelen. Het is een karaktereigenschap die zich in de loop van de tijd in mensen verankerd. Blootstellen aan de angst is ook moeilijk. Bij vliegangst kun je mensen in vliegtuigstoelen zetten, een keer laten vliegen. Kinderen met sociale angst worden vaak afgewezen door leeftijdsgenoten. Zet je ze voor een groep, dan gebeurt dat weer.’
Uit Europees onderzoek blijkt dat sociale angst na depressie en alcoholmisbruik de meest voorkomende vorm van mentale problematiek is. Zo’n tien tot vijftien procent heeft er last van, in verschillende gradaties. 
‘Verlegenheid is geen afwijking, het is een gewone eigenschap waarin mensen van elkaar verschillen, net als lichaamslengte. Het is één van de temperamenten, net als extraversie. Laat je een nieuw speeltje zien aan een baby van zes maanden, dan reageert het ene kind terughoudend, terwijl het andere er direct op af gaat. Dat is niet erg, maar het kan een probleem worden als de omgeving er op een verkeerde manier mee omgaat. Een afwachtend kind kan door de omgeving angstig gemaakt worden. Ouders die zelf sociaal angstig zijn kunnen het kind negatief beïnvloeden. Door de families erbij te betrekken, ben je in staat om de genetische en de omgevingsvariatie goed in kaart te brengen.’ Daarom zal van alle deelnemers genetisch materiaal worden afgenomen.
In het family lab zullen de deelnemers een spreekbeurtopdracht uitvoeren, vaak een grote opgave voor verlegen mensen. Er wordt gekeken hoe ouders hun kinderen hierop voorbereiden. En in het laboratorium meten onderzoekers specifieke gedragingen van de deelnemers, inclusief hersenactiviteit, de hartritmevariabiliteit en de stresshormonen.
‘Iemand kan bijvoorbeeld erg gaan zweten bij een spreekbeurt. Dit zijn basale biologische gedragskenmerken, die gestuurd worden door de erfelijke eigenschappen en in interactie met omgevingsinvloeden uitmonden in verschillend gedrag.’
De onderzoeksgroep hoopt veertig families bereid te vinden om mee te werken. ‘Er is veel aandacht voor mensen die overlast veroorzaken, dat is natuurlijk begrijpelijk. Je hebt meer last van iemand die je op straat een klap geeft, dan iemand die een blokje omloopt. Maar het is jammer dat we hen in de kou laten staan. Dit zijn mensen die een bijdrage willen leveren, maar dat lukt niet door aarzeling of door angst.’
In de studententijd ontstaat er volgens Westenberg een risico om geïsoleerd te raken: ‘Omdat het aan de universiteit toch vrij massaal is. De studentenverenigingen zijn ook grootschalig. Docenten staan net te ver weg. Mijn boodschap is dat je niet moet aarzelen om behandeling te zoeken.
‘Mensen zijn geneigd om dit als een variant van normaal gedrag te zien. Ze denken: “Daar groeit hij wel weer overheen.” Maar voor sommigen kan het heel moeilijk zijn om uit die vicieuze cirkel te stappen. Studenten zijn nog jong. Dus de kans dat je er nog iets aan kunt doen is aanzienlijk.’